Skip to content

Reactie op de brief van minister Opstelten

oktober 14, 2011

Ministerie van Veiligheid en Justitie

 t.a.v. mr. Ivo W. Opstelten

Postbus 20301

2500 EH Den Haag

Rockanje, 14 oktober 2011

Geachte minister Opstelten,

Hartelijk dank voor uw reactie van 4 oktober 2011. Mijn dank zou echter nog groter zijn geweest wanneer u er in uw reactie blijk van had gegeven dat u mijn brief met de nodige aandacht had gelezen. Helaas is dat niet het geval, hetgeen overduidelijk blijkt uit uw reactie. 

Op 27 september 2011 heb ik u en uw CJIB een brief geschreven waarin ik bezwaar maak tegen het feit dat ik een boete moet betalen voor een “overtreding” die is “geconstateerd” in 2009 m.b.t. een voertuig dat al in 2007 is gesloopt. Ik heb in mijn brief van 27 september uitvoerig uiteen gezet wat er is gebeurd, en dat ik deze situatie tamelijk Kafkaans vind.

Ik had zo gehoopt dat de minister, analoog aan eerdere uitspraken op de televisie, van mening zou zijn dat elke onterechte bekeuring er een teveel is, maar kennelijk is dat niet het geval. Tenzij de minister van mening is dat het terecht dat iemand een boete moet betalen voor een overtreding die twee jaar na de sloop van het voertuig zou zijn begaan, maar dat kan ik mij niet echt voorstellen.

U besluit uw reactie met de volgende zin: “Als Minister van Veiligheid en Justitie treed ik in beginsel niet in individuele zaken. Het CJIB neemt uw brief in behandeling en zal u nader berichten.”

In mijn brief heb ik u erop attent gemaakt dat ik bezwaar maak tegen elke nationale wetgeving die in strijd is met de Europese wetgeving of de Europese richtlijnen, en dat ik mij genoodzaakt zie een beroep te doen op het Europese Hof wanneer u en uw ministerie weigeren deze zaak in de minne te schikken. In de gerechtelijke procedure die ik zal starten zal ik wijzen op de volgende onvolkomenheden in de toepassing van het Nederlands recht:

  1. Middels een zgn. “registercontrole” bij de RVW kan de Officier van Justitie een boete opleggen aan de eigenaren van voertuigen waarvan de geldigheid van de periodieke controle is verstreken. De overtreding hoeft dus niet daadwerkelijk te worden geconstateerd. Dit is in mijn optiek onterecht.
  2. Bij het opleggen van de bovengenoemde boete gaat de Officier van Justitie ervan uit dat het voertuig en de eigenaar van het voertuig zich in Nederland bevinden, en dat de eigenaar in de gelegenheid is geweest om het voertuig in Nederland te laten keuren. Zelfs nadat de Officier van Justitie er door de eigenaar van het voertuig op is gewezen dat het voertuig al enkele maanden na aankomst in Frankrijk is gesloopt, blijft de Officier van Justitie de beperkte regels m.b.t. in Nederland verblijvende voertuigen hanteren. Er wordt geen rekening gehouden met afwijkende wetgeving in het buitenland. Ook dit is in mijn optiek onterecht.
  3. Bij het opleggen van de bovengenoemde boete gaat de Officier van Justitie ervan uit dat er in Frankrijk een officieel vrijwaringsbewijs kan worden verstrekt dat in Nederland geldig is. Echter, een dergelijk bewijs bestaat niet in Frankrijk.  Ook lijkt de Officier van Justitie van mening te zijn dat de auto in Nederland overgeschreven had kunnen worden, daarbij geen rekening houdend met het feit dat de afstand 1200 km bedraagt, dat de auto niet meer kon rijden, dat de auto voor de sloop werd verkocht, en dat de auto volgens het Franse recht slechts formeel kon worden overgeschreven op naam van de nieuwe eigenaar wanneer de auto zou worden geïmporteerd. De kosten die daarmee gemoeid zijn, overstegen de waarde van het voertuig vele malen.
  4. Bij het opleggen van de bovengenoemde boete gaat de Officier van Justitie ervan uit dat de auto geëxporteerd had moeten worden, zelfs wanneer de eigenaar van het voertuig op het moment van vertrek uit Nederland niet voornemens was om te emigreren. Ook dat is in mijn optiek onterecht.
  5. Bij het in beroep gaan tegen de eis van de Officier van Justitie verlangt de rechter volledige betaling van de opgelegde boete alvorens de zaak wordt behandeld, ongeacht het feit dat de persoon aan wie de boete ten onrechte is opgelegd zich in Frankrijk bevindt en financieel niet in staat is om de boete te betalen, noch om een beroep te doen op de Nederlandse overheid om het boetebedrag voor te schieten. Dit beleid zorgt ervoor dat minvermogenden geen gebruik kunnen maken van het recht. Ook dat is in mijn optiek onterecht.

In dit licht begrijpt u wellicht dat uw veronderstelling dat dit een “individuele zaak” is niet geheel strookt met de realiteit. Elke uitspraak van het Europese hof die in deze kwestie wordt genomen heeft immers directe ingrijpende gevolgen voor het Nederlandse rechtsysteem. Op basis van de uitspraken van het Europese Hof zullen eerder opgelegde sancties moeten worden terugbetaald en zullen toekomstige sancties niet mogen worden opgelegd.

In uw reactie op mijn brief schrijft u dat het CJIB mijn brief in behandeling neemt, en ik had goede hoop dat er naar aanleiding daarvan een oplossing voor mijn probleem zou komen. Die hoop bleek echter niet terecht te zijn, want eveneens op 4 oktober 2011 schreef het CJIB: “Wij hebben uw beroepschrift ontvangen. De rechtbank Brielle, sector kanton, locatie Brielle, is echter de instantie die het beroepschrift had moeten ontvangen. Ik heb uw beroepschrift daarom doorgestuurd naar de rechtbank.”

Ook uit deze reactie blijkt dat mijn brief niet met de nodige aandacht door uw ambtenaren is gelezen. In de eerste plaats omdat de brief geen “beroepschrift” was, maar een beroep op het gezonde verstand van de ambtenaar van het CJIB die de zaak behandelt, in de hoop dat ik eindelijk eens een ambtenaar zou treffen die zowel de bevoegdheid als de bereidheid heeft om deze zaak te seponeren, en in de tweede plaats omdat ik ervan uit ga dat elke ambtenaar van het Ministerie van Justitie over voldoende juridische kennis beschikt om te begrijpen dat op 4 oktober 2011 de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank tegen een vonnis van 25 mei 2010 al geruime tijd is verstreken. En zoals verwacht reageerde de griffier van de rechtbank op 6 oktober met de mededeling dat ik niet meer in hoger beroep kan gaan omdat de termijn die hiervoor staat inmiddels ruimschoots verstreken is.

Formeel gezien heb ik alles in het werk gesteld om u en uw ambtenaren ervan te overtuigen dat het niet rechtvaardig is om in 2009 een bekeuring op te leggen voor een in Frankrijk verblijvende auto die op dat moment al twee jaar gesloopt is.

Ik wil u echter in de gelegenheid stellen om de zaak alsnog te seponeren. Mocht u daartoe niet bereid zijn, dan zie ik mij genoodzaakt om deze kwestie voor te leggen aan de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie en vervolgens aan het Europese Hof. Ook zal ik de nodige aandacht van de media vragen, opdat de Nederlandse bevolking ervan op de hoogte wordt gebracht dat deze minister van Veiligheid en Justitie in de praktijk kennelijk niet van mening is dat elke onterechte sanctie er een te veel is. 

Hoogachtend en met vriendelijke groet,

Jaap van der Wijk

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: