Skip to content

Een twijfelachtige dagvaarding

december 15, 2011

Vandaag ontving ik een dagvaarding om voor de rechter te verschijnen inzake een schuld aan ABN AMRO. Dat de eis van ABN AMRO uitermate twijfelachtig is, blijkt uit mijn conclusie van antwoord:

Rechtbank Rotterdam

Sector Kanton

t.a.v. de griffier

Betreft: ABN AMRO BANK N.V. vs J. van der Wijk

CONCLUSIE VAN ANTWOORD

Edelachtbare kantonrechter,

Middels dit schrijven reageer ik op de vordering van ABN AMRO zoals die door Weggemans Incasso & gerechtsdeurwaarders te Emmen is ingediend.

Ik heb diverse procedurele en inhoudelijke bezwaren tegen de voornoemde vordering.

Van juni 2007 tot en met mei 2010 heeft Weggemans m.b.t. deze vordering namens ABN-AMRO beslag gelegd op mijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. (Zie producties 1 t/m 11). Dit kan alleen wanneer er t.a.v. de vordering een uitspraak van de rechter is. Ik mag dus aannemen dat dit vonnis bij voorraad uitvoerbaar is.

Ik besef terdege dat het Ne bis in idem-principe betrekking heeft op het strafrecht, maar de reden waarom ABN AMRO nu opnieuw t.a.v. dezelfde vordering een procedure aanhangig maakt, ontgaat mij volledig.

Van juni 2007 tot en met mei 2010 heeft Weggemans m.b.t. deze vordering namens ABN-AMRO beslag gelegd op mijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. (Zie producties 1 t/m 11). In deze 36 maanden heeft Weggemans ongeveer € 26.000,- (exclusief vakantiegeld) van mij geïncasseerd. Toen het UWV mij op 2 juni 2010 liet weten dat het beslag van Weggemans op mijn WAO-uitkering per 1 juni 2010 geheel was opgeheven (zie productie 8), ging ik er dan ook van uit dat mijn schuld aan ABN AMRO daarmee ruimschoots was vereffend.

Uit het contract (productie 1 van eiseres) blijkt dat het contract op 24 juni 2004 is aangegaan door ondergetekende en mijn toenmalige echtgenote. Beide partijen zijn dus hoofdelijk aansprakelijk. In mei 2005 werd de scheiding uitgesproken, waarbij werd bepaald dat beide partijen 50/50 aansprakelijk waren voor de schulden. Hoewel ik moest rondkomen van mijn WAO-uitkering en mijn ex-echtgenote voortdurend is blijven werken als ziekenverzorgster, heeft Weggemans slechts beslag gelegd op mijn uitkering en niet op het loon van mijn ex-echtgenote. Kort daarna heeft mijn ex-vrouw een beroep gedaan op de schuldhulpverlening, waarbij zij verplicht was opgave te doen van alle gezamenlijke schulden. Het is mij niet bekend of bovengenoemde vordering – althans de helft daarvan – daarin is meegenomen, maar dat had wel moeten gebeuren. Inmiddels is het schuldhulpverleningstraject van mijn ex-vrouw beëindigd en is zij van haar schulden verlost. Van enige poging van Weggemans om via loonbeslag of partij in het schuldhulpverleningstraject de vordering – althans een deel daarvan – van mijn ex-echtgenote te incasseren is mij niets bekend. (Zie ook productie 2 van eiseres.)

Tijdens de periode van juni 2007 tot en met mei 2010 waarin Weggemans beslag legde op mijn WAO-uitkering, hebben noch Weggemans noch ABN AMRO op enige wijze met mij gecorrespondeerd, en al zeker niet m.b.t. deze schuld, die op 24 juni 2004 is ontstaan.

In juni 2011 keerde ik na jarenlang verblijf in het buitenland terug naar Nederland om mijn schulden te regelen. Ik heb mij direct tot de gemeente Z. gericht om een beroep op de schuldhulpverlening te doen. Ik kreeg formulieren mee om in te vullen en ik begon direct met het verzamelen van alle informatie doe nodig was om de aanvraag te kunnen indienen. Volgens de formulieren mag de informatie van de schuldeisers niet ouder zijn dan 14 dagen, dus wanneer ik de ene brief binnen had, was de andere alweer verouderd. De vertraging werd tevens veroorzaakt door eiseres, want ik vroeg om het bedrag van de schuld en de ontstaansdatum daarvan, terwijl eiseres die informatie niet volledig verstrekte. (Zie productie 4 van eiseres.) Op 3 november 2011 kon ik mij eindelijk bij de gemeente Z. vervoegen en diende ik mijn aanvraag om schuldhulpverlening in bij mevrouw A. van de afdeling die zich bezighoudt met de schuldhulpverlening.

In haar exploot van dagvaarding stelt eiseres dat ik “geheel onbekend” ben bij de gemeentelijke kredietbank te Rotterdam, waarmee zij impliciet beweert dat de aanvraag voor schuldhulpverlening niet heeft plaatsgevonden. In mijn correspondentie met eiseres (zie productie 4 van eiseres) heb ik echter duidelijk aangegeven dat de aanvraag is ingediend bij mevrouw A. van de gemeente Z. Navraag bij mevrouw A. zou eiseres hebben geleerd dat deze aanvraag wel degelijk door mij is ingediend. Ambtelijke molens werken traag, dat zou eiseres moeten weten, en met iets meer inzet en geduld had deze dagvaarding achterwege kunnen blijven.

Hoe meer ik mij in deze zaak verdiep, hoe meer ik de indruk krijg dat er sprake is van twee vorderingen i.p.v. één, die gelijktijdig zijn ontstaan aangezien ik op een gegeven moment door financiële omstandigheden gedwongen werd de betalingen te staken. Wanneer dat juist blijkt te zijn, maakt eiseres op een gegeven moment m.b.t. de ene vordering een civiele zaak aanhangig, die er uiteindelijk toe leidt dat ik in 36 maanden tijd ruim € 26.000,- heb betaald via beslag op mijn WAO-uitkering, waarna de vordering is vereffend. De andere vordering – kennelijk de onderhavige vordering – blijft al die jaren op de plank liggen zonder dat er ten opzichte van mij ook maar iets mee wordt gedaan. Geen aanmaningen, geen civiele rechtsvordering, niets. Totdat Weggemans mij op 3 juni 2010 aanschrijft m.b.t. een vordering van € 18.302,28 (zie productie 9). De volgende brief van Weggemans volgt op 8 maart 2011. Het bedrag is dan verlaagd tot € 17.530,11 (zie productie 10). De laatste brief van Weggemans is van 14 november 2011. Het bedrag is nu verhoogd naar € 18.568,37 (zie productie 11).   

Mocht het inderdaad zo zijn dat er sprake is van twee verschillende vorderingen, dan rijzen er een aantal vragen: waarom heeft eiseres niet gelijktijdig beide vorderingen aanhangig gemaakt, maar slechts één? Waarom was eiseres wel in staat het totaalbedrag van de ene vordering te incasseren en niet van de andere? Waarom heeft eiseres mij in al die jaren niet opmerkzaam gemaakt op het bestaan van een tweede vordering? (N.B. Sinds mijn verhuizing in juni 2007 was mijn postadres ***, en vanaf februari 2009 ben ik ingeschreven in de gemeente Z. Zie producties 1 t/m 4 en 5.) Nu eiseres de vordering jarenlang ongemoeid heeft gelaten, heeft zij – al dan niet opzettelijk – de verschuldigde rente onnodig enorm laten oplopen. Welk verweer eiseres hiertegen ook heeft, de vraag zal altijd moeten luiden: waarom kon het bij de ene vordering wel en bij de andere niet?

En dan de belangrijke vraag hoe het mogelijk was dat eiseres in haar exploot vermeldt dat er € 4.938,98 op de vordering is voldaan. Aangezien de schuld op 24 juni 2004 is aangegaan en de maandelijkse afbetaling € 90,- per maand was, terwijl ik op of omstreeks juni 2006 de betalingen heb gestaakt, kan het betaalde bedrag nooit hoger zijn dan € 2160,-. Het (overige) bedrag moet dus op een andere wijze zijn geïncasseerd. De ene mogelijkheid is dat dit bedrag via mijn ex-echtgenote is geïncasseerd, en dan is het voor mij van belang om te weten op welke voorwaarden dit is geschied en waarom niet de helft van de vordering is geïncasseerd. De andere mogelijkheid is dat Weggemans het beslag op mijn WAO-uitkering niet alleen heeft gebruikt voor het vereffenen van de schuld die door de uitspraak van de rechter werd gelegitimeerd, maar ook voor vereffening van de schuld ten aanzien van welke de rechter geen oordeel heeft geveld. Mocht het laatste het geval zijn, dan heeft eiseres zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dient het ten onrechte geïncasseerde bedrag aan mij te worden geretourneerd.

Op basis van bovengenoemde feiten meen ik te mogen vaststellen dat eiseres in veel opzichten ernstig nalatig is geweest en dat elke grond voor de dagvaarding ontbreekt. Veel vragen, zoals welk deel van de schuld door mijn ex-vrouw is voldaan, zijn na al die jaren nog steeds onbeantwoord. Nu de vordering van eiseres is opgenomen in mijn aanvraag voor schuldhulpverlening, hetgeen op eenvoudige wijze kan worden geverifieerd bij de gemeente Z., en ik heb aangetoond dat ik al meer dan € 31.000,- (> € 26.000,- loonbeslag en € 4.938,98 op andere wijze) aan eiseres heb voldaan, zou het mij behagen wanneer de rechtbank eiseres niet-ontvankelijk verklaart.

Hoogachtend,

Jaap van der Wijk

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: